Familie Marcus

In hoofdstuk 41 is het verhaal van de redding van de drie zusjes Marcus te lezen. Ze doken alle drie onder in Westdongeradeel. Hieronder volgt een deel van het verhaal zoals dat in het boek staat opgetekend.

Liesje Bijkersma (geheel rechts). Zij is verantwoordelijk voor de onderduik van de kinderen Marcus.

Kyriat Ono

 ‘U hebt uw bestemming bereikt’ meldt google maps. Het is januari 2017; de schrijvers van dit boek stappen uit hun huurauto en bellen aan bij het huis in Kyriat Ono, een voorstad van Tel Aviv in Israël. Binnen worden we hartelijk ontvangen door Fien Cohen-Marcus, haar man Frits en haar zus Judith, die voor de gelegenheid uit Jeruzalem is overgekomen. Ook Uri Speelman komt nog even langs op zijn racefiets. Zo op het oog zijn deze mensen heel gewone inwoners van Israël die genieten van hun pensioen en het mooie land waarin ze wonen. Toch hoeven we geen Engels met hen te spreken. Ze beheersen allemaal het Nederlands nog accentloos, ondanks het feit dat ze al jaren in Israël wonen. Hun wieg stond in Nederland en allemaal zijn ze overlevenden van de Holocaust. Dat is niet te zien aan een getatoeëerd nummer op hun arm. Een concentratiekamp hebben ze niet van binnen gezien. Wel hebben ze jaren in angst geleefd, maar uiteindelijk hebben ze weten te overleven.

Uit het boek:

Op 10 oktober 1941 komt er in huize Marcus in Zwolle een Nederlandse rechercheur in burger aan de deur met de vraag of hij de telefoon even mag gebruiken. Hij komt binnen, loopt naar de telefoon en in plaats van een telefoontje te plegen, snijdt hij de kabel door en vraagt vervolgens waar Leo Marcus is. Met het antwoord: ‘Die is er niet; hij is op zakenreis en komt over enkele dagen terug,’ neemt hij geen genoegen. Het huis wordt doorzocht, maar Leo is er inderdaad niet. Dat is een tegenvaller voor de rechercheur. Hij is op pad gestuurd met de opdracht om 50 personen op te halen, maar het lukt hem slechts om er zeven te arresteren. Hij heeft zijn taak dus niet goed kunnen vervullen en de Duitsers zijn boos op hem.

De volgende dag komt er weer politie bij de familie Marcus aan de deur. Leo is er nog steeds niet. Dan moet Hilde meekomen, net als de echtgenotes van andere verdwenen Joodse mannen. Om 11 uur ’s morgens wordt ze meegenomen voor verhoor en ’s avonds om 9 uur is ze nog niet terug. Selma die op de kinderen past, is vreselijk ongerust. Laat in de avond komt Hilde weer thuis. Ze is om 8 uur door de SIPO verhoord en bedreigd met opsluiting in een kamp en pas om half tien ’s avonds mag ze weer naar huis. Ze is niet naar Duitsland gestuurd omdat ze daar nog niks met vrouwen kunnen. Het gaat de Duitsers nu om de mannen. Leo Marcus wordt als gezocht / vermist opgegeven in het politieblad. Zeven weken lang staat hij hierin vermeld; dan verliest de politie haar interesse voor hem. Ondertussen zit hij veilig en wel bij een bevriende boer in Wijhe ondergedoken.

Onderduiken

De ouders van Fien besluiten onder te duiken en zich niet te melden bij de Duitsers. Voor hun drie dochters en zichzelf vinden ze een onderduikplek. Fien is zeven jaar en moet afscheid nemen van haar ouders en oudste zus Frances. Aanvankelijk is haar jongste zus, de vierjarige Judith nog bij haar, maar later worden ook zij gescheiden. De meisjes verblijven op verschillende plekken en alle drie komen ze uiteindelijk in Westdongeradeel terecht. Judith verblijft bij de gereformeerde dominee Brouwer in Nes,. Deze periode is een zwarte bladzijde in haar leven. Ze wil er niet meer aan herinnerd worden. Frances belandt ook in Nes, bij dominee Fortuin. In tegenstelling tot haar kleine zusje heeft zij een prima onderduikplek, waar ze ruim een jaar kan blijven. Fien komt bij Douwe en Trijntje van Dijk in Ternaard. Ook zij bewaart warme herinneringen aan haar onderduikgezin. Douwe en Trijntje grijpen adequaat in als er verraad dreigt.

Ds. Fortuin en zijn vrouw woonden in Nes, zij verborgen Frances voor de bezetter
Douwe van Dijk en Trijntje Tuininga
Huis van familie Van Dijk in Ternaard

Uit het boek:

Fientje zit rustig in de klas te luisteren naar wat de meester vertelt. Ineens gaat de deur open en komt tante gehaast binnen. ‘Je moet nu meegaan,’ zegt ze tegen Fientje. ‘Nee, niet door de deur, maar hierlangs.’ Met hulp van de meester laten ze Fientje door het raam naar buiten zakken. In de klas gaat de les daarna gewoon verder. Meester maant de kinderen tot kalmte en laat ze doorwerken alsof er niks bijzonders gebeurd is. Ondertussen zit Fientje achterop de fiets bij tante, die flink doortrapt om Fientje maar zo snel mogelijk van het gevaar te verwijderen. Ze gaat naar Murmerwoude (tegenwoordig: Damwoude). Het blijkt dat Fien verraden is door een vrouw uit Ternaard. Deze heeft haar schuilplaats en die van een Joodse jongen, Robbie Meijer (zie hoofdstuk 6) verklapt aan de landwachter Simon Wieringa. Een andere landwachter, Andries Akkerman grijpt in als hij hoort dat er kinderen opgehaald zullen worden. Hij waarschuwt een oud-buurman Auke van de Galiën uit Zwaagwesteinde. Die rijdt naar Ternaard, alarmeert de betrokkenen en zo komt het dat het twintigtal mannen (SS’ers, SD’ers en landwachters) die op 28 juli 1944 bij de familie Van Dijk voor de deur staan om een huiszoeking te verrichten, onverrichter zake weer naar huis moeten. Ze vinden geen spoor van het Joodse kind dat ze denken aan te treffen en ook geen enkel bewijs dat Douwe van Dijk verzetsactiviteiten ontplooit.

Fientje zit tegen die tijd veilig en wel in Murmerwoude, bij verzetsvrienden van Douwe: Sierk en Anna Schaafsma. Tot haar grote verrassing is daar Selma, hun huishoudster die meer deel van haar familie is dan personeelslid. Het is net alsof ze weer een beetje thuis is. Fien mag bij haar in bed slapen. Ondertussen wordt er naar een betere oplossing gezocht, een plek waar ze langer kan blijven en zo komt ze in maart 1944 in Zwaagwesteinde op haar laatste adres bij het slagersechtpaar Willem en Aaltje Leegsma-Noordewier. Tot haar grote verrassing blijkt Judith daar ook te zijn en zo kunnen ze tot het eind van de oorlog bij elkaar blijven

Na de oorlog

Fien met haar zussen en Selma Frank

Alle gezinsleden overleven de oorlog. Er blijkt zelfs nog een zusje bij te zijn gekomen. De kleine Leonie is vanwege de oorlogsomstandigheden na haar geboorte te vondeling gelegd, maar het gezin dat haar op hun stoep vindt, kent haar afkomst en daarom kan ze na de bevrijding vlot worden verenigd met haar ouders en zusjes. Helaas overlijdt zij op zevenjarige leeftijd aan hersenvliesontsteking. De rest van het gezin vertrekt in de jaren ’50 op verschillende data naar Israël. Als in april 2020 blijkt dat de presentatie van dit boek niet plaats kan vinden en een aantal mensen gevraagd wordt een bijdrage te leveren aan deze website is Fien de eerste die een filmpje opneemt en opstuurt. U vindt het op deze website, door hier te klikken.

Uri Speelman

En Uri Speelman, degene die in januari 2017 op visite was bij Frits en Fien en die we daar troffen? Hij dook in de oorlog onder in Holwerd. Zijn verhaal volgt in hoofdstuk 21. Uri heette in de oorlog nog Flip; pas toen hij in Israël arriveerde, veranderde hij zijn naam.

Uri (Flip) Speelman

Een ontroerend stukje uit zijn verhaal:

De volgende dag zit Flip ‘s ochtends buiten aardappelen te schillen als hij een BS’er (Binnenlandse Strijdkrachten) de werkplaats ziet binnenkomen. Hij krijgt een jerrycan met benzine van omke Cornelis en rijdt met zijn motorfiets weg. Dat is niet zo bijzonder, dus hij besteedt er verder geen aandacht aan. ‘s Middags gaat het ineens anders dan anders. Na het eten wil Flip weer teruglopen naar school, maar dat mag niet. Hij moet in de etalage van de zaak gaan zitten en goed in de gaten houden wat er in de straat gebeurt. Hij begrijpt er niets van, maar zo langzamerhand verzamelt de hele familie Van der Hoop zich om hem heen. Wat willen ze toch en wat is er dan te zien buiten? Eerst gebeurt er niks in de straat, maar dan ziet hij de BS’er, die die ochtend benzine heeft gekregen, aan komen rijden op zijn motor. ’s Morgens was hij alleen, maar deze keer zit er iemand bij hem achterop. Het is een donkere magere dame. Ze stapt van de motor af en dan ontspint zich in de etalage het volgende gesprek:

Akke: ‘Wa is dat dan?’

Flip: ‘Ik wit it net.’

Akke: ‘Sjoch mar ris goed.’

En dan ineens ziet Flip het. Hij schreeuwt: ‘Dat is myn mem!’ Hij haast zich om buiten te komen en zich in de armen van zijn moeder te werpen. Na al die jaren heeft hij haar toch herkend. Iedereen is ontroerd door dit prachtige weerzien. Greet blijft veertien dagen in Holwerd en dan gaan moeder en zoon terug naar Amsterdam, bovenop een melkauto.